|
Een Drie-Lagen Systeem
In Vlaanderen ontstond een drie lagen systeem gedurende de 11de en 12de eeuw.
- Jaarmarkten in het graafschap Champagne
- Regionale markten in de voornaamste steden
- Plaatselijke markten in de meeste dorpen.
Plaatselijke markten werden georganiseerd in vrijwel elk dorp en verscheidene van de markten samen vormden
een soort permanente handelscentra. Elke dag van de week had je wel ergens in de buurt een andere markt.
De tweede laag werd gevormd door een aantal regionale markten die in belang wonnen tijdens de 12de eeuw.
Deze markten werden afwisselend georganiseerd in een reeks steden, aldus de handelaars de mogelijkheid biedend alle mogelijke markten in
hun omgeving te kunnen aandoen. Het marktseizoen duurde zolang dat de handelaars nog de mogelijkheid hadden van te reizen en handel te
drijven. De meesten die deze markten bezochten reisden samen met hun goederen en planden hun verkoopsgesprekken met hun collega's
pas als ze ter plaatse waren. De Vlaamse markten kenden een neerwaartse trend met de groei van de steden als grote handelscentra in de
13de eeuw, maar het systeem van de regionale markten verdween pas in de late middeleeuwen.
Aan de top van het 13de eeuwse handelssysteem stonden de grote jaarmarkten van Champagne. Deze waren
de meest uitgebreide en commercieel belangrijke markten van het Europese continent. Zij zorgden voor de noodzakelijke verbinding van de
Lage Landen met Italië, beiden de belangrijkste commerciële regio's van de toenmalig gekende wereld. Tijdens de late 12de eeuw ontstond
een cyclus van zes jaarmarkten, elk zes weken durende. Twee van deze jaarmarkten werden elk gehouden in Provins en Troyes en telkens
weer een jaarmarkt in Bar-sur-Aube en Lagny. Over het algemeen was er een pauze van twee weken tussen elk van deze jaarmarkten.
De grote jaarmarkten van Champagne mikten duidelijk op de internationale zakenman. De organisatie van zulk
een markt was zeer strikt en wel gedefinieerd. De eerste week diende om de uitstallingen langs de straten van de stad in orde te zetten. Dan
volgde een tien dagen durende laken en stoffen verkoop, een elf dagen durende lederverkoop en negentien dagen verkoop van allerhande
andere spullen. Aan het einde van elke jaarmarkt werden een paar dagen uitgetrokken om alle rekeningen te vereffenen.
De rol van de handelaar veranderde licht. Hij reisde wel meestal nog mee met zijn goederen, maar kwam dikwijls
pas aan nadat de jaarmarkt al geopend was. Hij had in dat geval al koeriers vooruit gestuurd die sneller konden reizen dan de bagagewagens.
Hun taak was op de openingsdagen van de jaarmarkt de nog onderweg zijnde goederen reeds aan te prijzen. Hierdoor werden soms goederen
aangekocht zonder eerst gezien te zijn en het werd zelfs gewoonte reeds in dit stadium betalingen uit te voeren
|